Tekstanalyse: Zelfs je naam is mooi (NRC)

Vrije regelval
Zelfs haar naam is mooi

Een mooie stem heeft hij niet, Henk Westbroek, althans niet in zijn hit
‘Zelfs je naam is mooi’: hij klinkt neuzelig, of achter adem, wat de
verstaanbaarheid niet ten goede komt. Het wijsje is evenmin erg bijzonder:
een braaf tuffend arreslee-ritme, met licht wiegende strijkers erachter,
een solerende sopraansax ervoor, een drummer die alleen zijn kwastjes mag
gebruiken en belletjes in de verte. En de tekst heeft op het eerste
gehoor iets gratuits, met de vertrouwde elementen uit het liefdeslied:
‘o schat van mij’ en ‘ga niet weg, ga nooit bij me weg’. Maar samen hebben
ze iets dat op den duur werkt: dan beginnen flarden van de toch wel
bijzondere tekst door te dringen, dan valt de mooie afwisseling tussen
de opgewekte en de slepende delen op, en dan hoor je vanzelf de
afgeknepenheden in de zang ook niet meer. En dat verklaart wellicht waarom
‘Zelfs je naam is mooi’ nu al bijna een half jaar in de hitparade staat.

Het duurde weken voordat ik het begin mee kon zingen, en nog eens weken
voordat ik zag dat zich in dat begin een zuiver voorbeeld van een zogeheten
chiasme bevond: ‘Als jij je kleren aantrekt zonder haast / en haast zonder
er bij na te denken’ Een chiasme, of kruisstelling, is de verbinding van
woordparen die in spiegelbeeld tegenover elkaar staan. Die van Westbroek is
nog eens extra subtiel, omdat ‘haast’ eerst als een zelfstandig naamwoord en
daarna als een bijwoord van graad wordt gebruikt. Deze spiegeling is meteen
een mooie aankondiging van de omkering die er op volgt: het aankleden doet
zich voor als ‘een omgekeerde striptease’. Een verrassend beeld. Blijkbaar
voltrekt het onthaaste en gedachteloze aankleden zich zo tergend langzaam
(‘tease’ betekent ‘plagen’) dat de zanger zich vanzelf een omgekeerde
nachtclubbezoeker gaat voelen.

Die omgekeerde striptease is, zo zingt Westbroek, ‘van een volmaakte
schoonheid’. Dat klinkt als een loos cliché, maar dat lijkt ook de bedoeling
te zijn. In de volgende regels gaat hij de schoonheid van de aankleedster op
geijkte wijze bezingen, in hooggestemde taal en afgesleten beelden. ‘Elke
handbeweging een gedicht / elke buiging als een roos die sluit.’ Het
daaropvolgende ‘O schat van mij’ mag dan ineens wat alledaags klinken, maar
het zal hier wel letterlijk bedoeld zijn. De zich aankledende geliefde staat
daar met al haar rijmende handbewegingen en roossluitingen te stralen als
een schat, als een schatkist vol schitterende parels en juwelen, zoals ook
blijkt uit het vervolg: ‘O hemelshoge ster’ (of ‘sterre’).

Daarna volgt het eerste hoogtepunt van deze reeks schoonheidsbetuigingen:
‘Zelfs jou schaduw kan mij verblinden.’ Dit noemen we een paradox, een
schijnbare tegenspraak. Natuurlijk kan een schaduw niet verblinden, maar het
is de kunst van de dichter om voor de duur van zijn gedicht onmogelijkheden
aannemelijk te maken. Hier gaat het om zo’n schitterend geval van schoonheid
dat zelfs haar schaduw nog licht geeft, tot verblindens toe. We geloven Henk
graag, en we begrijpen dan ook dat hij daarna maar één ding kan zingen,
nu niet in literaire standaardtaal, maar recht uit zijn hart: ‘Dus ga niet
weg / ga nooit bij me weg’, meteen gevolgd door een nieuwe en grappige
paradox: ‘maar als je ooit verdwijnt / laat mij je dan weer vinden.’ Daarin
klinkt al bijna het verzoek aan de geliefde door om, in geval van onverhoopt
verdwijnen, niet moeilijk te doen en sportief mee te werken aan een snelle
opsporing -want het dringt niet tot het hoofd van de verliefde zanger door
dat er ooit gegronde redenen zouden kunnen zijn voor zo’n vlucht.

Het lied is nu aan zijn tweede ronde toe, die eerlijk gezegd weinig nieuws
toevoegt. De zanger gaat door met wat hij al aan het doen was: lofzang op
lofzang, cliché op cliché stapelen. Na de volmaakte schoonheid uit de eerste
ronde volgt hier nog twee keer ‘volmaakt’, één keer ‘puur’ en één keer
‘helder’, één keer ‘geluk’ en één keer ‘schitterend’, één keer zelfs ‘goudst’
en aan het eind opnieuw de verblinding haar felle licht: ‘Zolang ik jou hier
bij me heb / heb ik de volmaakte liefde / drink ik uit een pure waterbron
/ en slaap onder een deken van geluk / jij bent het goudste zonlicht / een
volmaakt helder kristal / zo schitterend dat ‘t licht ervan / me soms dreigt
te verblinden.’ ‘Verblinden’ rijmt daarna op opnieuw op het ‘vinden’ uit het
refrein: ‘Maar ga niet weg / ga nooit bij me weg / en als je ooit verdwijnt
/ laat mij je dan weer vinden.’ In deze verder nergens rijmende tekst moet
het herhaalde verblinden – vinden wel de essentie van het lied uitdrukken.
De liefde maakt blind, en in zijn verblinding blijft de zanger zijn
geliefde overstelpen met liefdesverklaringen. Maar het tegendeel van
zoveel ‘verblinden’ is de grote angst haar ooit kwijt te zullen raken en
haar nooit meer te kunnen ‘vinden’.

De bijna wanhopige lofzang zoekt naar een nieuw hoogtepunt, voorzover dat nog
mogelijk is. Het wordt gevonden in de naam van de geliefde: ‘Zelfs je naam is
mooi’, en in de vergrotende trap daarvan ‘mooier dan die van iedereen’, en
tenslotte in de absurde overtreffende trap, bijna mompelend uitgesproken:
‘mooier dan die van iedereen / die dezelfde naam heeft.’ Alweer een
onmogelijke geestige toevoeging, een beetje in de trant van het begin
van Slauerhoffs ‘De schamelei’: ‘Zeven zonen had moeder: / allen
heetten Peter, / behalve Wanjka die Iwan heette.’ Na dit zoveelste
bewijs van zijn totale verblinding volgt nog een keer het refrein, waarna
de zanger licht neuriënd (‘doe-die-da’) zijn lied besluit.

Bij aankondiging van deze hit op de radio hoorde ik de diskjockeys
al een paar keer vertellen dat Henk Westbroek (zelf ook een diskjockey,
van Radio 3) dit nummer ‘voor zijn vrouw’ zong. En dat zij Julia heette.
Het leek mij een typische incrowdmededeling, niet ter zake doend, want het
wezen van ‘Zelfs je naam is mooi’ leek mij nu juist dat de geliefde naamloos
blijft – zodat het door iedereen gebruikt kan worden als er iemand de liefde
verklaard moet worden.

Maar onlangs, toen ik eens een keer niet meezong, hoorde ik aan het
slot ineens, tussen de strijkers en de belletjes, op de plaats waar ik
Westbroek tot dan toe had horen neuriën, geen ‘doe-die-da’, maar ‘Ju-li-a’,
op zijn Engels uitgesproken. Zachtjes, als het ware alleen voor die ene
bestemd. Een intimiteit, die het lied een stuk minder universeel toepasbaar
maakte, maar die me ook meteen ontroerde. Henk houdt echt van Julia,
zoveel is wel duidelijk, en niet alleen vanwege haar naam, die mooier is dan
die van iedereen, zelfs mooier dan die van iedereen die ook Julia heet.

Uit het NRC van 14 november 1998
(Met dank aan: Jaron van Boheemen)

Reageer hierop