‘Ik ben een liefhebber van absurdisme’ (Rotterdams Dagblad)

Door alle commotie rond zijn krasse uitspraken in de Utrechtse gemeenteraad zou je bijna vergeten dat Henk Westbroek een begenadigd songschrijver is. Voor Het Goede Doel schreef hij de teksten van hits als ‘België’, ‘Vriendschap’ en ‘Hou van mij’, voor René Froger schreef hij de bestseller ‘Alles kan een mens gelukkig maken’, voor Ruth Jacott ‘Vrede’. Westbroek, nu eens niet aan het woord over politiek maar over zijn nieuwe plaat ‘De Hemel’ en zijn grote liefde muziek.

Utrecht – In de raadszaal een ongeleid projectiel en op Radio 3 een presentator met een onalledaagse kijk op de wereld en een voorkeur voor het wat stevigere muzikale werk: in de muziek van Henk Westbroek is er weinig van terug te vinden.
‘Je hebt gelijk als je zegt dat mijn muziek niet in het verlengde ligt van mijn politieke activiteiten’, zegt Westbroek in het backstage-gedeelte van zijn eigen rockcafé Stairway to Heaven. ‘Ik moet er niet aan denken een zanger te worden met schreeuwerige politieke boodschappen. Je moet werken met materiaal dat je hebt. En dat heeft zijn beperkingen. Ik zou het graag willen, maar ik heb nu eenmaal niet de stem om Metallica-achtige nummers te zingen. Met de band Gore heb ik een schreeuwplaat gemaakt, waar er dertien van zijn verkocht. Toen ik die vier nummers had ingezongen, heb ik twee dagen niet kunnen praten.’

Westbroek zit op zijn praatstoel. Een glaasje wodka fungeert als spraakwater, een pakje sigaretten ligt binnen handbereik. De Utrechter heeft zijn vierde solo-album ‘De Hemel’ uitgebracht. Net als bij zijn vorige drie cd’s heeft het album in verschillende recensies predikaten als zoet, zachtaardig en braaf gekregen. Westbroek vindt dat niet geheel terecht. ‘Je kan vinden van m’n teksten wat je wil; er is in ieder geval over nagedacht, ze zijn zorgvuldig geformuleerd en hebben een grote variëteit aan onderwerpen die niet altijd even voor de hand liggen. Elk album heeft wel een liedje met een terloopse sneer naar de politiek, er zit altijd wel een homofiel liedje tussen en een romantisch liedje.’

Westbroek ziet zichzelf als één van de weinige absurdistische tekstdichters van Nederland. Hij verwijst daarbij naar het nummer ‘Als je weer verliefd wordt’ van zijn laatste plaat. ‘De tekst is een combinatie van clichés, absurdistische Postbus 51-achtige aanbevelingen en koeien van waarheden. Het is een absurdistisch soort logica. Surrealisme bijna. Ik ben een groot liefhebber van absurdisme. Ook in de kunst – Joop Moesman, James Ensor en Marcel Duchamps – en in de literatuur – met ‘Het boek ik’ van Bert Schierkeek als duidelijk voorbeeld. Psychologica noem ik dat, wartaal die een eigen logica heeft en een glimlach oplevert’.

Westbroek (‘Ik ben een beperkte drummer met één grote handicap: ik kan geen maat houden’) ziet zichzelf meer als tekstdichter dan als muzikant. Voor het muzikale gedeelte was hij in de tijd van Het Goede Doel afhankelijk van Henk Temming. Nu is René Meister zijn muzikale compagnon.

Of het nu gaat om zijn eigen muziek, het niveau van de nederpop, over huidige ontwikkelingen binnen de muziek, over de supergroepen uit de jaren zeventig of over de grote invloed van platenmaatschappijen; Westbroek houdt van muziek en praat er met een aan fanatisme grenzende liefde over. ‘Al tijdens mijn jeugd had ik een bovenmatige interesse voor muziek’, zegt hij, tewijl hij een flinke wolk rook voor zich uitblaast. ‘Lang voordat ik muzikaal actief was, was ik een fanatiek concertbezoeker. Om Jimi Hendrix te zien, reisde ik naar Engeland. In Duitsland heb ik The Byrds en The Doors gezien. Elke zaterdag zat ik in het Concertgebouw in Amsterdam. Daar kwamen alle interessante dingen.’

Westbroek, geboren in 1958, maakte de eerste bloei van de nederpop mee. ‘Ik heb toen veel Nederlandse bands gezien, van The Buffoons tot Wally Tax. En Earth & Fire natuurlijk. Een bijzonder fenomeen natuurlijk. Ik geloof niet dat er iemand in Nederland was die zo veel heeft bereikt met een zo beperkt stemgeluid. Iedereen wilde intertijd met Jerney Kaagman naar bed. Wat dat betreft was ik net iedereen.

Na de bloeiperiode aan het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig, ging het met de popmuziek volgens Westbroek snel bergafwaarts. In navolging van The Beatles, die in zeven maanden het succesalbum ‘Sgt. Peper Lonely Hearts Club Band’ opnamen, wilde menige groep maandenlang de studio in om een peperduur en prestigieus conceptalbum op te nemen. Westbroek: ‘Al dat pompeuze en georchestreerde, al die rockopera’s en overgeproduceerde conceptalbums; het werd te vervelend voor woorden. Menige supergroep hielp zichzelf ermee om zeep.’

De punkrage kwam wat Westbroek betreft precies op tijd. ‘Al die kostenverspilling, die bijna genante tentoonspreiding van virtuositeit en pretenties; het kreeg een welkome genadeklap van de punkbeweging. Het had wel wat, de punktijd in Utrecht. Overal speelden bandjes die wedstrijden deden of ze binnen een half uur veertig nummers konden spelen. Vreselijk slecht ook allemaal. Daartegenover stond wel een enorm spelplezier en veel bezieling.’

Westbroek werkte in de jaren zeventig in de sociologische en politicologische bibliotheek. Bij de eerste de beste bezuiniging werd Westbroek ontslagen. ‘Ze konden indertijd de grachten dempen met werkloze sociologen. Ook ik was werkeloos. Ik schnabbelde wat bij in de horeca en met wat klussen in het weekend. Daarnaast schreef ik Engelstalige tekstjes voor bevriende bandjes. Maar toen ik mijn vriendin Julia leerde kennen, die Engels is, ben ik daarmee gestopt. Ze lachte zich rot om mijn beheersing van de Engelse taal.’

Eigenlijk heeft zijn beslissing om niet langer Engelstalige teksten te schrijven ten grondslag gelegen aan het succes van Westbroek als songschrijver. ‘Rond 1978 schreef ik wel eens cabarettekstjes voor vrienden die in een linkse, ik zou bijna zeggen Groen Linkse, cummune woonden.’ Toen Henk Temming met zijn bandje Lepel op de Nederlandstalige toer wilde, vroeg hij Westbroek enkele teksten te schrijven. En na een spoedcursus zingen en maathouden, ging Westbroek deel uitmaken van de band van Temming, die vanaf toen Het Goede Doel heette. Hoewel de ambities wat betreft Westbroek niet al te groot waren, kon Het Goede Doel wel optreden.

Volgens Westbroek was de opbloei van de nederpop aan het begin van de jaren tachtig misschien wel groter dan nu wordt gedacht. ‘Het wordt wel eens vergeten hoe veel bandjes met Nederlandstalig repertoire er waren in die tijd. Dat heeft alles te maken met het beleid van platenmaatschappijen. Je ziet dat ook nu: als ze zien dat Alanis Morisette successen boekt, gaan ze allemaal aop zoek naar kleine dames met grote tieten, een prachtige kopstem en een gitaar. En begin jaren tachtig wilde elke maatschappij een Doe Maar of Goede Doel onder contract hebben.

Het einde van Doe Maar luidde volgens Westbroek ook het einde van de eerste nederpopgolf in. ‘Doe Maar werd ziek van de negatieve publiciteit, van de fans en van elkaar. Je moet wel bedenken dat al die serieuze popliefhebbers die nu een kaartje voor het reünieconcert hebben gekocht indertijd met een zak tomaten naar Pinkpop ging om de band te bekogelen.’
Westbroek vindt dat de huidige Nederlandse bands het moeilijker hebben dan in de tijd dat Het Goede Doel en Doe Maar triomfen vierden. ‘De omloopsnelheid wordt steeds korter. Bands als Johan Daryll-Ann en Caeser maken een verdienstelijke plaat die de hemel wordt ingeschreven, waardoor de liveconcerten alleen maar tegen kunnen vallen. Vervolgens spelen ze op alle festivals en in alle jeugdhonken die je maar kan bedenken en daarna moeten ze met een gering budget aan een nieuwe plaat werken. En die kan alleen maar tegenvallen. Kijk naar Hallo Venray, The Scene, Trockener Kecks en Lois Lane. De roem is snel voorbij in Nederland’.

Westbroek begrijpt dat wel. Weinig platenmaatschappijen houden er in zijn ogen een lange termijnvisie op na. ‘Ik heb niet voor niets al zeven platenmaatschappijen versleten. Na twee albums bij Sony kreeg ik het verzoek of ik snel op wilde rotten omdat te weinig verkocht. En bij Mercury kreeg ik een ontslagbrief omdat de singles van het vorige album ‘Westbroek’ niet hard genoeg liepen. Ze spraken daarbij enigszins voor hun beurt, want ‘Zelfs je naam is mooi’ werd gelijk na het versturen van die ontslagbrief een dikke hit. Ik kreeg nog het verzoek of ik wilde blijven, maar dat hoefde van mij toen niet meer’

Volgens Westbroek gebeurt er echter genoeg aan het popfront om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Sterker, hij ziet de huidige muzikale periode als een bloeiperiode, zowel nationaal als internationaal. ‘Als ik bij mijn neefje van 22 door zijn platenkast blader, zie ik Lou Reed, Acda en De Munnik, The Chemical Brothers en Volumina! Vroeger hield je van de Beatles en niet van de Stones. En als je daarvan hield vond je soul niet goed. En als je soul goed vond, dan moest soul kleren dragen. Als je Elvis Presley waarde moest je vetkuif. Ik haatte die eenkennigheid. In deze tijd hoeft dat niet meer. Je mag alles leuk vinden. En betaalt zich uit met goede muziek over de hele breedte van het spectrum’

bron: Rotterdams Dagblad, 24 december 1999

Reageer hierop