De tien geboden van Henk Westbroek (Trouw)

Henk Westbroek (Utrecht, 1952) is muzikant, radiopresentator, kroegbaas, fractieleider van Leefbaar Utrecht en vice-voorzitter van Leefbaar Nederland. Westbroek staat erom bekend geen blad voor de mond te nemen. De ongenuanceerde uitspraken die door Vrij Nederland in januari 1999 werden opgetekend leidden tot een fikse ruzie tussen beide partijen. Westbroek deed zijn beklag bij de Raad voor de Journalistiek en kreeg gelijk: VN had hem de tijd moeten geven om ‘onjuistheden’ te corrigeren.

1. Zij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
‘Ik geloof niet in God. Ik geloof in het bestaan van een fatsoenlijk karakter. En ik geloof dat ook ongelovigen in staat zijn om er een fatsoenlijk karakter op na te houden – net zoals mensen die intens overtuigd zijn van het bestaan van God heel onfatsoenlijk kunnen zijn. Ik vind het weerzinwekkend dat de paus het gebruik van condooms verbiedt in gemeenschappen in Afrika waar aids – niet alleen vanwege het seksuele gedrag van mensen, maar ook omdat een goedwillende organisatie daar voor een injectie zestig keer dezelfde naald moet gebruiken – verschrikkelijke vormen heeft aangenomen. Dat wil niet zeggen dat de paus niet christelijk is. Is een kikker groen? Natuurlijk is die man christen: hij moet zelfs Gods plaatsvervanger op aarde voorstellen, maar dan heeft hij toch wel erg veel zwakke, menselijke eigenschappen. Het zal vast wel aanmatigend klinken, maar ik vind mijzelf fatsoenlijker dan de paus.’

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.

‘We komen uit dezelfde pijp en gaan ook allemaal een andere pijp weer uit. Ik geloof dat we meer met elkaar gemeen hebben dan dat we van elkaar verschillen. Er zijn maar een paar die schrikbarend oorspronkelijk zijn, die als het ware boven de massa uitstijgen. Niet door wie ze zijn, maar door wat ze doen. Zo heb ik altijd erg naar W.F. Hermans opgekeken. Ik had graag eens met hem willen praten. Dat is mij ook bijna gelukt. Hij werd in 1995 voor iets onbeduidends opgenomen in een Utrechts ziekenhuis. Ik was in die tijd nog columnist bij het Utrechts Nieuwsblad en de chef kunst had, wetende dat ik een groot bewonderaar was, bedacht dat ik Hermans mocht interviewen. Ik moest hem eerst een brief schrijven. Daarin heb ik drie onderwerpen aangesneden die ik in andere interviews nooit aan de orde zag komen. Ik kreeg een lief briefje van hem terug waarin stond ‘Geachte meneer, het was aardig om eens een brief te ontvangen zonder grammaticale fouten’ – hij had het iets mooier opgeschreven hoor – ‘en het lijkt mij leuk om met u te praten omdat het mij niet al te vaak overkomt dat ik spreek met een journalist die mijn werk ook echt gelezen heeft’. Vervolgens werd hij ziek. De afspraak kwam er nooit van. Hij stierf voor ik hem kon interviewen.

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken.
‘Hoor je mij ooit vloeken? Nee dus. Vloeken is geen kunst. Bovendien kan ik mij voorstellen dat het voor christenen vervelend is om te horen. Ik kan wel goed rammen met woorden. Ik wil iemand niet weg laten komen met een flagrante leugen, vraag net zolang door tot hij toe moet geven dat hij de waarheid geweld heeft aangedaan. Dat spel kan mij niet scherp genoeg gespeeld worden. Spits zijn. Dat is leuk. Of iemand een dwarslaesie toewensen leuk is? Ja, in de situatie waarin het werd gezegd wel. Als de heer Lemaier, fractievoorzitter van D66, roept – en de heer A. van de Bos, fractievoorzitter van de VVD te Utrecht, heeft beaamd dat dit inderdaad zo gebeurde – dat ‘iedereen die op Leefbaar Utrecht stemt acuut een afschuwelijke ziekte kan krijgen’, vind ik het wel geestig om daarop te reageren met de opmerking ‘Meneer, als u dat echt meent, dan zou ik ook kunnen zeggen dat u van mij een dwarslaesie mag krijgen want dan wordt u aan de onderkant even vruchtbaar als u nu demonstreert aan de bovenkant te zijn.’ Dat is de context. Ik wens natuurlijk niemand iets slechts toe in het leven. Al zijn er mensen die ik weinig goeds gun. Maar dat is weer iets anders.’

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen.
‘Ik maak altijd een winst-en-verliesrekening op. Dat wil zeggen: als ik één zondag heb moeten werken, krijg ik daar twee vrije dagen voor terug. Als ik twee keer achter elkaar op zondag heb gewerkt, krijg ik er drie. En als ik dan vrij heb, doe ik niks. Het kan geen kwaad om eens een dagje niet te werken. Maar de paradox is nu juist dat ik vind dat ik te weinig doe. Dat komt waarschijnlijk doordat ik ben opgegroeid in een milieu waarin het zeer gebruikelijk was om altijd te werken. Mijn vader werkte overdag bij een elektriciteitsmaatschappij en ging ‘s avonds behangen. En mijn moeder heeft tot haar zestigste het meest onaangename werk gedaan wat je maar kunt bedenken. Dat vonden ze normaal. Daar krijg je toch een tik van mee. Werken voor de kost. En vooral: geen tijd verprutsen.’

5. Eer uw vader en uw moeder.
‘Toen ik een jaar of dertien was, werd bekendgemaakt dat ‘tante’ – die zo vaak bij ons op bezoek kwam – eigenlijk mijn moeder was. We zaten met z’n allen in de kamer. Er begon er één te huilen en een ander zei: ‘We moeten je iets vertellen’. Het was een enorme schok, dat weet ik nog wel. Maar toen ik na een dag merkte dat er helemaal niets veranderde, was het nare gevoel verdwenen. Mijn natuurlijke moeder had mij uitgelegd waarom ze niet voor mij had kunnen zorgen. Ze was een alleenstaande vrouw, moest haar eigen brood verdienen. Heel terloops werd mij nog verteld dat mijn moeder het eerste half jaar drie keer per dag langskwam om mij de borst te geven. En al die jaren daarna bleef ze komen; ze werd mijn lievelingstante, met wie ik tot haar dood een goede relatie heb gehad. Maar mijn tante was min moeder – zo heb ik dat altijd gevoeld. Wie mijn vader was, heb ik nooit geweten. Pas veel later vertelde iemand dat het misschien de visboer is geweest. Als dat zo is, heb ik aan die informatie ook niet veel meer want die man is al jaren dood. Maar het interesseert mij ook niet. Ik heb mijn vader toch gekend? Als ik dit gebod hoor, denk ik onmiddellijk aan de mensen die mij hebben opgevoed. Zij zijn mijn ouders; hun kinderen zijn mijn broers en zusters.

Mijn jongste zuster is tweeëntwintig jaar ouder dan ik, dus je begrijpt wel dat ik echt een nakomertje was. Ze hebben mij heel erg verwend – dat heb ik als kind niet eens zo beseft. Toen ik een jaar of tien was, viel het mij pas op dat ik altijd roomboter op mijn brood kreeg terwijl zij margarine aten. Dat kwam omdat ik mij op zesjarige leeftijd eens had laten ontvallen dat ik die boter zo lekker vond. Ze hadden alles voor mij over.

Ik ging, toen ik allang het huis uit was, nog vaak naar mijn ouders. Om onbenullige dingen te doen: televisie te kijken of een potje te kaarten. Iedere avond, om twintig over acht, zei mijn moeder ‘Henk’ – mijn vader heette ook Henk – en dan stond pa op om ‘het borreltje’ te halen. Hij dronk het met suiker, ik zonder. Dat was volkomen geritualiseerd. Mijn ouders begrepen ook niet goed dat ik groot werd. Ik weet nog goed dat ik mijn vriendin Julia voor het eerst mee naar huis nam en zei: ‘Let op oor, mijn moeder snijdt mijn vlees nog altijd’. Ik had er ooit wel eens iets van gezegd, maar dan zei ze: ‘Laat me nou jochie, ik vind het zo leuk om voor je te doen.’ Het voelde zo goed om bij hen te zijn. Het waren schatten van mensen. Ik mis de warmte van thuis nog steeds. Ik mis mijn moeder die naar mij luistert en mijn vader die mij – nog voor ik iets kan zeggen – een klus uit handen neemt en zegt: ‘Daar heb jij geen talent voor, laat mij maar eventjes.’

Mocht er een hemel bestaan dan weet ik zeker dat mijn vader en moeder nu vlak naast de troon van de Schepper zitten die hen zo nu en dan een heerlijk glas wijn aanreikt, een aai over de bol geeft en zegt: ‘Pa en ma Westbroek, dat hebben jullie uitstekend gedaan’.’

6. Gij zult niet doodslaan.
‘Ik liep eens op het station van Utrecht en zag hoe één jongetje door drie anderen helemaal in elkaar werd geschopt. Ik weet niet wat de aanleiding was, maar ik dacht: kom, laat ik mij daar eens even mee bemoeien. Dat bleek al snel niet erg verstandig want die jongens hadden de smaak te pakken en ik kreeg een paar flinke tikken. Op een gegeven moment hield ik er één bij zijn hoofd vast, zette mijn mond bij zijn oor en riep, uit pure doodsangst: ‘Wat er ook gebeurt, jouw oor bijt ik eraf!’ Dat maakte wel indruk. Ze liepen weg. En ik realiseerde mij op dat moment dat ik zo’n jongen voor z’n donder had geschoten als ik een pistool bij me had gehad. Wat eens te meer aantoont dat en verbod op het dragen van wapens een erg verstandige overheidsbeslissing is geweest. Ik had mij, uit verontwaardiging en machteloosheid, niet kunnen beheersen. Da’s nog een hele kunst. Ik begrijp daarom ook niet waarom de politieagente die tijdens de voetbalrellen in Rotterdam een hooligan in zijn been schoot ontslagen moest worden. Ik zou zeggen: ‘Mevrouw u krijgt een medaille omdat u deze man niet meteen recht tussen zijn ogen heeft geschoten’. Ik hou niet van geweld, ik ben voor driekwart een pacifist, een principieel dienstweigeraar. Als er één gebod is waar we ons aan zouden moeten houden, dan is het dit gebod.’

7. Gij zult niet echtbreken.
‘Ik zit in een vak waarin het erg gemakkelijk is om one-night stands op te lopen. Een popartiest is – zelfs op mijn leeftijd – nog een stuk aantrekkelijker dan de eerlijke foto zou rechtvaardigen. Ik heb nooit behoefte gehad om daar misbruik van te maken. Nou goed, één keer. In twintig jaar. En voor die tijd ben ik twee keer, na een cafébezoek, in het bed van een ander beland. Ik ben daar niet trots op, maar spijt heb ik er ook niet van. Ik heb altijd gezegd dat ik van mijn vriendin houd en dat doe ik tot op de dag van vandaag.

We wonen nu al dertig jaar in zonde samen. Onlangs hebben wij officieel verloofd. Dat hadden we afgesproken toen we elkaar leerden kennen: na dertig jaar gaan wij ons verloven en twintig jaar later zullen we trouwen. Dat vind ik wel een romantische gedachte. Maar het huwelijk zelf zegt mij niet veel. Wij hebben over de financiën goede afspraken gemaakt. Mijn vrouw en dochter zullen in hun leven nooit iets tekortkomen.’

8. Gij zult niet stelen.
‘Bij ons in Utrecht had je een bakkerijconglomeraat, de Lubro geheten, waar iets zeer speciaals werd gemaakt: spoorpunten. Restanten van gebakjes en krentenbrood werden door elkaar geroerd, opgewarmd, in een taartvorm gegoten en geglazuurd. Voor een dubbeltje kon je een punt van die brij kopen. Die spoorpunten jatte ik wel eens. Dat ging heel eenvoudig. Ik droeg een pofbroek die aan de onderkant dicht was en van boven zo’n elastieken band had. Eén keer trekken aan die band en ik kon zo twee van die punten in mijn broek gooien. Maar ik had te weinig talent; ik begon er altijd vreselijk bij te blozen en was om die twee dubbeltjes uit te sparen toch minstens drie weken ongelukkig. Het hoorde ook een beetje bij die levensfase; het is gewoon een tijdje lollig en spannend om eens wat te jatten. Ik geloof ook niet dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ niet meer wil deugen. Ik denk dat er nog heel veel brave kinderen zijn die netjes naar hun ouders luisteren en niet de neiging hebben om te stelen. Maar de kinderen die het wél doen halen vaker de voorpagina van de ochtendbladen. Ik weet dat het een vervelende mededeling is, maar geweldsmisdrijven nemen – ondanks de aandacht die ze in de pers krijgen – statistisch gesproken af. Helaas leven wij op dit moment in een wereld waarin – en ik citeer nu een Trouwscribent – de pers niet zozeer de waakhond van de democratie is, maar eerder de straathond die zit te wachten op een sappige rel. Zo krijg onevenredig veel aandacht voor slecht nieuws en ontstaat het beeld dat Nederland crimineler is dan ooit. Het is gewoon niet waar. Maar dat is een boodschap die de modale Telegraaflezer liever niet wil horen.’

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

‘De Raad voor de Journalistiek, voorgezeten door mevrouw Sorgdrager en drie gepensioneerde rechters, heeft de waarheid over het akkefietje dat ik met Vrij Nederland had aardig boven water kunnen halen. Ik heb kunnen aantonen dat verslaggever Ornstein uit slordigheid of kwade wil – ik denk uit kwade wil, maar dat zal mijn slechte inborst zijn – alles wat ik beweerd zo heeft verdraaid dat ik als een reactionaire halffascist met stalinistische trekjes uit het interview naar voren ben gekomen. En ik vertrouwde die man volkomen. Ik heb hem in mijn huis ontvangen, te eten en te drinken gegeven en heb hem 36 uur te woord gestaan. Ik heb hem voorgesteld aan mijn vriendin, meegenomen naar een optreden en antwoord gegeven op al zijn vragen. Maar hij had in zijn hoofd het verhaal al klaar. Zo vroeg Ornstein mij of ik dacht dat er veel gekken in de wereld rondliepen. Ik zei: ‘De gestichten zitten vol met idioten die oprecht en eerlijk menen dat zij Napoleon zijn, maar de krankzinnigen die vrij rondlopen zijn veel gevaarlijker. En het aardige is: ze denken zelf nooit dat ze gek zijn. Adolf Hitler dacht dat hij een volstrekt normaal mens was. En Stalin. En Mao. Die lui zijn nooit op het idee gekomen om een psychiater te bezoeken’. Dat heb ik gezegd. En dan vind ik het toch een beetje raar als de weergave van dit gesprek neerkomt op de formulering dat ik Hitler ‘een integere man’ vind. Het verhaal stond vol met dergelijke verdraaiingen. Nog pijnlijker was het stukje dat handelde over mijn halfbroer die op een dag plotseling voor mijn neus stond. Ik vertelde Ornstein hoe moeizaam het contact tussen ons verliep en vroeg hem hier niets over te schrijven. En wat lees ik later? Westbroek die over zijn halfbroer zegt: ‘Ach, die gozer interesseert mij helemaal geen sodemieter. Ik heb hem even afgepoeierd’. Heb heb ik gewon niet gezegd. Maar het gevolg is wel dat deze relatie sinds de publicatie van dat artikel niet meer bestaat. Toen ik Ornstein bij de zitting van de Raad voor de Journalistiek tegenkwam en hem wees op de afspraak die wij hadden gemaakt, zei hij: ‘Maar er zijn toch ook afspraken gemaakt waar ik mij wél aan heb gehouden?’ Hoe durf je zoiets te zeggen? Kijk, ik ben weliswaar een vredelievend mens, maar meneer Ornstein moet mij de rest van zijn leven maar niet meer voor de voeten lopen. Dit vergeef ik hem nooit. En het zou voor de kwaliteit van de Nederlandse journalistiek echt veel beter zijn als niemand hem ooit nog een baantje gunde want dit is een man die voor een leuk verhaal over lijken gaat.’

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
‘Ik heb een schat van een vrouw. Ik heb een schat van een kind. Ik ben redelijk succesvol in mijn maatschappelijke carrière. Het enige wat ik zou willen is iets meer rust. Ik benijd mensen die zomaar een maand op vakantie gaan en dan helemaal niets aan hun hoofd hebben. Maar ik hoef niet afgunstig te zijn, want ik zou dezelfde status moeiteloos kunnen bereiken. Ik kan zo ontslag kunnen nemen bij de VARA – niemand zal mij tegenhouden. Ik bezit een derde deel van een groot Utrechts café en zou, met die 60.000 per jaar, prima kunnen leven. Sterker nog: mijn vriendin heeft ook een derde deel, dus dat is samen meer dan een ton. Wat wil ik nog meer? Blijkbaar liever werken. Dat heb ik mijn leven lang gedaan. Ik heb mij zelden een dag ziek gemeld. Het is wel eigenaardig om te ervaren dat ik nu minder hard a dan vroeger. Nee, dat vind ik niet jammer. Ik vind het zelfs wel leuk om te merken dat het fysiek wat moeizamer gaat, dat ik sneller ziek ben en langzamer van een kater herstel. Vijftien jaar geleden ging ik nog de hele nacht door. Even onder de douche en dan, met een flinke slok op, weer aan het werk. Dat zou ik nu niet meer opbrengen. Maar ik kan er nog wel over dromen en dat is minstens zo prettig.’

bron: Trouw – zaterdag 5 februari 2000

Reageer hierop