Column: Kan het niet voor de helft?

Een paar maanden geleden was ik op vakantie in een land waarin je nooit van tevoren weet wat iets gaat kosten. Als ik daar ’s ochtends mijn pakje sigaretten ging kopen, vroeg de handelaar in tabakswaren daar een absurd bedrag voor, in de wetenschap dat ik dan -vriendelijk lachend -resoluut zou weigeren dat bedrag te betalen en in één adem door een financieel tegenvoorstel zou formuleren.

Dat tegenvoorstel werd dan door de verkoper jammerend verworpen, waarna hij – onder verwijzing naar de zes kinderen die hij dagelijks moet voeden – met een nieuw prijsvoorstel op de proppen kwam. Hierna werd ik geacht om…., nou ja na een minuut of vijf onderhandelen, mocht ik dan eindelijk een pakje imitatie Camel het mijne noemen.

Als ik even later een brood wilde kopen vroeg de bakker daar een bedrag voor waar je in Nederland een bescheiden bakkerij voor kunt aanschaffen en ja hoor, ik moest opnieuw… onderhandelen. En als ik een taxi nam duurde het vriendelijk bekvechten over de ritprijs langer dan de rit zelf. Pas nadat me in een postkantoor voor een eenvoudige postzegel op een eenvoudige briefkaart een bedrag gevraagd werd waar je in Nederland een stacaravan voor thuis kunt laten bezorgen, schoot ik uit mijn slof. Waarna ik besefte dat ik als direct gevolg van mijn opvoeding en wellicht ook door de opbouw van mijn erfelijk materiaal, niet gezegend ben met het geduld en de geestelijke souplesse om langdurige prijsonderhandelingen te voeren. Dat bij ons de taxi’s uitgerust zijn met een taximeter, en op de producten die we kopen een stickertje zit waarop precies staat wat het product moet kosten, is niet alleen enorm tijdbesparend maar ook een prettige tegemoetkoming aan alle mensen die onderhandelingsbekwaamheid ontberen.

Vorige week hoorde ik in een consumentenprogramma op de radio en las ik in dagblad Het Parool dat het weliswaar crisis is, maar dat de financiële gevolgen daarvan voor onze huishoudportemonnee beperkt kunnen blijven, als we allemaal bij de aanschaf van een paar schoenen, een broodrooster of een wollen trui, de moed zouden ontwikkelen om beduidend minder te willen betalen dat op de prijskaartjes staat. Als we ons onderhandelingsdurf eigen zouden maken. En het was nog hartstikke leuk ook om lekker te onderhandelen, werd er als stimulans bij verteld.

Alsof het een feest is…. om in een derdewereldland te wonen.

Bron: De Nieuwe Utrechter

Reageer hierop