Column: Milner

Ik maakte voor de VARA op 3FM een programma dat onmiddellijk na de Arbeidsvitaminen begon. Aan het slot van dat muzikale opkikkertje werd dagelijks vermeld dat ‘het programma mede mogelijk gemaakt werd dankzij een financiële bijdrage van…’. Vervolgens werd de merknaam van een vetarm, zouteloos en daardoor ook enorm smerig kaasje genoemd.

In goed overleg met de goedlachse vitaminepresentator Hans Schiffers besloot ik om elke dag aan het begin van mijn programma een eveneens zouteloos grapje over dat kaasje te maken. Na een week werd me door de boven mij gestelden ten sterkste ontraden om nog langer de naam van die baggerkaas in de mond te nemen. De kaasmaker was ontstemd. Nooit eerder had wie dan ook enige druk op me uitgeoefend om over wat dan ook mijn mond te houden. Anders dan ik tot dat moment geloofde bleek programma-inhoud gestuurd te kunnen worden door een adverteerder. Op de publieke omroep, hè! Sindsdien ben ik een groot voorstander van een reclamevrije publieke omroep. Zodat de AVRO weer gewoon van haar betalende leden is, en de EO weer vooreerst aan de schepper behoort.

Als dat zou betekenen dat ik jaarlijks een op draagkracht gebaseerd extra bedragje moet ophoesten: graag. Als het zou betekenen dat er een publiek net minder in de lucht gehouden kan worden: ook goed.

Dit voorval schoot me te beginnen toen ik vorige week maandag, net na de Ster om tien voor half negen, de eerste aflevering van de VPRO-serie ‘De slag om Nederland’ zag. Subliem!

Glashelder werd duidelijk gemaakt dat u – om te voorkomen dat het stadsbeeld wordt ontsierd – vergunningplichtig bent om een tuinhekje te plaatsen dat niet geheel aan de gemeentelijke tuinhekjesnormen voldoet. En dat de KPMG – zoals andere vermogende grootgebruikers van kantoorruimte – probleemloos een vers pand betrekken mag om het kantoorgebouw dat ze verlaten langzaam weg te laten rotten op de plek waar het staat. Ik kan niet wachten tot er in ‘De slag om Nederland’ duidelijk gemaakt wordt van wie de publieke omroep nou eigenlijk is.

Bron: De Nieuwe Utrechter

Reageer hierop